vrijdag 17 juni 2016

Dubbel Brussel

Zoals veel Belgen heb ik een dubbel gevoel bij Brussel. Enerzijds hou ik van die kosmopolitische stad met haar gevarieerde architectuur, multiculturaliteit, sappige tongval en regenachtige gezelligheid. Zo had ik onlangs enkele uurtjes vrij in stad. Samen met een vriendin wandelde ik door de Sint-Hubertusgalerij, de Rue des Bouchers, zagen we Jeanneke Pis, gingen we binnen in boekhandel Tropismes en aten we een warme wafel met chocolade zoals echte toeristen. 


Even later stond er een bedelaar aan ons tafeltje. Wafels eten in de regen was opeens niet meer zo aanlokkelijk. We raakten ook bijna de weg kwijt in een kluwen van straatjes. Op de terugweg liepen we langs een drukke steenweg en leek alles grijs. Het bleef regenen en de riemen van mijn rugzak sneden in mijn schouders. Zo gaat het vaak in Brussel: voor elke mooie ervaring krijg je meteen een lelijke in de plaats. Zo lijkt het toch. De vraag is alleen hoe je daarmee omgaat.

Basje Bender - Brussel
Een jonge Nederlandse vrouw in Brussel beschrijft perfect dit dubbele gevoel. Ze houdt van de luxueuze winkels, de vrijheid en grilligheid van Brussel en voelt zich amper terneergeslagen door de aanwezigheid van zwervers, dode ratten, vuile metro's en de immer aanhoudende regen (even terzijde: die regen is eigenlijk een cliché, maar het lijkt wel te kloppen!). Ze werkt in public affairs en onderhoudt oppervlakkige contacten met bankiers, zakenlui, Europese lobbyisten en andere expats. Mensen komen en gaan, maar - in tegenstelling tot haar huisgenote -  vindt ze dit helemaal niet erg. Brussel wordt beschreven als een lieu de passage, een bubble waar small talk, apéro's en etentjes te lijken overheersen. Het is een Brussel dat ik niet ken, maar waar ik me wel iets bij kan voorstellen. Tegelijkertijd is de stad een poëtische en inspirerende plek, met de Hippodroom van Bosvoorde en het Afrikamuseum in Tervuren.  De observaties vond ik scherp en het beeld van Brussel als zeepbel is origineel gevonden.

Ann De Craemer - Vurige tong
Dit boek kwam vorige week al aan bod bij mijn lofrede op West-Vlaanderen, maar een groot deel van deze vertelling speelt zich af in Brussel. Ann ontvlucht het kleingeestige Tielt en verhuist naar Brussel. Op haar Brusselse werk wordt haar verhuis op veel gejuich onthaald. Je kan immers pas echt aan cultuur doen als je in een grootstad woont:

Blijkbaar werd ik als 'cultureel waardevol' beschouwd nadat ik in Brussel was gaan wonen, maar aan mijn culturele gedrag was niets veranderd: ik bleef thuis vooral boeken lezen en films kijken. Voor hen echter die graag op de juiste feestjes vertoeven, geldt dat niet als superieure vorm van cultuur - zij worden het liefst ook goed bekeken terwijl ze aan cultuur doen, want dan pas voelen ze zich volwaardig.  (Ann De Craemer, Vurige tong, De Bezige Bij Antwerpen, 2011, p.165)
Verder mist ze de weidsheid van het platteland. In Brussel kan je niet ver kijken, kan je niet voluit fietsen, zie je geen kleurschakeringen in het graan. Toch prikkelt de stad haar ook. Maar daar waar de hoofdfiguur van Basje Bender geniet van haar eenzame wandelingen in de stad, wordt Ann er haast ziek van.

Persoonlijk kan ik me beter herkennen in de vertelling van Ann dan in het verhaal van Basje. Maar daarom vind ik Brussel zeker niet minder mooi. Waarschijnlijk zou ik niet in Brussel kunnen wonen, maar het blijft wel een favoriete lieu de passage.

donderdag 9 juni 2016

West-Vlaanderen boven!

Neen, ik ben geen flamingant of zo. Maar ik constateer wel dat ik me ergens een halve West-Vlaming voel, ook al spreek ik hun sappige dialect niet. Ik heb er ook geen familie. Wel doorkruiste ik twee jaar lang het West-Vlaamse land om in Noord-Frankrijk les te geven. En ik heb in een recenter verleden een drietal maanden in Kortrijk gewerkt.

Het zijn vooral de West-Vlaamse schrijvers waar ik me verwant mee voel. Misschien omdat ze een zweem authenticiteit in hun romans weten op te roepen. Misschien omdat ik hou van een provincialistische maar universele sfeer. Misschien omdat ze minder vaak vertoeven in literaire grootstedelijke milieus. Misschien omdat ze meer over vroeger dan over nu schrijven. Ik hoop dat ik hen daarmee niet beledig.

In de eerste plaats denk ik aan Ann De Craemer. Ooit moest ik De seingever recenseren, en hoewel wielrennen (nochtans zeer Vlaams) me niet interesseert, was ik verkocht. De personages waren levensecht en de kritische stem van de schrijfster sprak me aan. Sindsdien ben ik fan. Van haar taalblogs en haar columns. Van Kwikzilver en Heerlijk helder. Ook Vurige tong wist ik te appreciëren. Mooi om te zien hoe in dat boek al de kiemen lagen van haar volgende werk, met als centrale thema's geloof, stad versus dorp, taal en koers.

Ook Eveline Vanhaverbeke schrijft scherpe columns op haar blog, soms ook over fietsen. Haar recentste roman Vergeten dagen kon me zeker bekoren. Bij haar hoor ik lichtjes Franse literatuur weergalmen, haar boek deed me denken aan Grijze zielen van Philippe Claudel. 

Natuurlijk is er ook Jan Vantoortelboom, over wie ik eerder al een lofrede afstak. Gisteren las ik zijn debuut De verzonken jongen uit, een meeslepend boek. Nog maar zelden zulke harmonieuze en mooie beschrijven over natuur en mens gelezen. 

Een andere eeuwige favoriet is Bart Van Loo. Een Kempenaar en dus een inwijkeling in het West-Vlaamse landschap. Zijn Parijs retour behoort nog steeds tot mijn lievelingslectuur.

Op poëtisch vlak kan ik Luuk Gruwez aanraden. Een dichter die tegen wil en dank West-Vlaming is en al lang in Limburg woont. Toch speelt West-Vlaanderen een grote rol in zijn werk, zoals in de bundel Dikke mensen of in zijn verhalen Krombeke Retour/ Deerlijk Retour.

Ook de Monstertrilogie van Tom Lanoye (geen West-Vlaming!) speelt zich af in West-Vlaanderen. Het boek staat al veel te lang ongelezen in de kast, maar ik ben van plan om het dit jaar te lezen.

Uiteraard zijn er nog West-Vlamingen die ik wil ontdekken. Zo ben ik benieuwd naar IJs van Koen D'Haene. Het lijkt me een ideaal boek voor onze reis naar Zwitserland deze zomer...